Gisteren was ik weg, dus heb ik vandaag maar een schetsje gemaakt.

Pas in de middag werd het een beetje droog, dus deze schets is van een uur of vier. En wat me meteen opviel toen ik door de Hoofdstraat liep: de zon schijnt natuurlijk heel anders op het geheel nu. En dan zie je zomaar een brede tak van de vleugelnoot dwars door de ramen, dat is me nooit eerder opgevallen. Je kijkt dus door twee ramen tegenover elkaar dwars door de kerk. En zie die ramen dan maar eens goed getekend te krijgen, leunend tegen de kastanje. Met wit uitgespaarde ornamentiek. Het lijkt nergens naar. En hoewel ik op het punt stond om even een foto te maken en na te tekenen, besloot ik toch door te zetten.

Wat me ook opeens opviel door het andere licht waren de kleurverschillen in de muur van de kerk. Ik heb ooit in Portugal een hele studie gemaakt van afgebladderde en beschimmelde muren, hoe je dat moet doen in aquarel, en staand in een dorpje. Maar als het je eigen dorp betreft is het toch opeens meer zorgelijk dan artistiek. Want het zal weer opgeknapt moeten worden, en dat gaat geld kosten. Maar als je tekent is het mooi.

Hoekje van de Schoolstraat waar de steigers weg zijn en men aan de binnenkant van het Openluchtmuseum bezig is met opknappen. Ik heb met mijn knalgele stoeltje midden op het pad naast de kerk gezeten, dan kan ik tenminste goed bij mijn spullen, die op de grond om mij heen liggen. Bovendien stond er geen wind, dus dan is het een stuk minder koud.

‘Groningen roze’: zo noem ik de kleur van de bakstenen uit de verte. Het is geen bruin en ook geen rood. Er bestaat een kleurpotlood van Caran d ‘Ache, in de serie ‘Supracolor’, dat precies goed is: ‘brownish orange’. Maar ja, vandaag deed ik het met aquarel, en dan meng ik English red met gebrande sienna (voor de kenners).

Anyway. Wat ik niet heb gedaan, is het wit openlaten. Tenminste, niet precies genoeg. Met een snelle stijl als de mijne ontstaan er altijd veel witte vlekjes. Dat vind ik op zich mooi, want het suggereert licht. Maar als er sprake is van geschilderd wit (en dat is nogal essentieel hier) moet ik zorgen voor kaarsrechte witte banden en lijnen. Let bijvoorbeeld op het witte informatiebord bij het museum, de witte daklijsten en de witte kozijnen. Want dat lukt achteraf niet meer met krijt (het ronde raampje) en tipp-ex (de voorste ramen). En bovendien is dat mijn eer te na.

Ken je zo’n dag: dat de wolken laag hangen en het stervenskoud is? Zo’n dag. De weermensen zeggen dat het grijs is, maar in feite is het wit, en dat is veel erger. Grijs heeft nog nuances.

En wat de grootste droefheid van zo’n dag is, zijn de schaduwen. Die zijn er niet. De hele wereld is ééndimensionaal geworden, je ziet nauwelijks diepte.

Ik sta buiten en huiver. Emoties kun je niet wegpoetsen, die zijn er gewoon. Ook ik baal van dit weer, maar mijn kunstvorm is schetsen en dat gaat over de uitdaging om er iets van te maken. Op dit soort dagen zijn silhouetten geweldig om te tekenen. Juist omdat er geen diepte is. Dus werd het de kastanje vandaag, vlak voor mijn huis, en dat in 2 minuten. Even voelde ik de verleiding om een foto te maken en die binnen uit te werken, en die heb ik toch maar mooi weerstaan. Het gaat mij niet om het plaatje, maar om de emotie. Volgens mij is dat gelukt.

Een zonnige dag, maar buiten was het kouder dan ik dacht, 4 graden namelijk.

Ik ben een rondje om de kerk gelopen en kon geen inspiratie vinden, ook niet aan de zonnige zijde van de kerk. Wat me wél opviel waren de bladeren van het longkruid. Had ik die al eerder gezien? Waren ze er het hele jaar al of zijn er nu verse? Ze straalden me tegemoet met hun mooie gevlekte blad. En rondkijkend zag ik dat er meer bladeren waren die er fris en vers uitzagen.

Dus het werden bladeren. Maar dan wel in mijn warme atelier. En hoewel ik de bladeren zelf in de koude schuur bewaarde, moest ik nog opschieten omdat ze verleppen waar je bij zit. Wat wil je, met zo’n warme tekenlamp. Dan zou ik ook opkrullen. En Siep ook.

De vleugelnoot. Hij heeft behoorlijk geleden onder de breuk van vorig jaar maar is enthousiast aan het uitlopen. Met allemaal kleine loten aan de noordkant, dat wel. Het is de enige boom die nog vol in blad zit en je vindt er allerlei kleuren groen, maar vooral een heel warm soort donkergeel. Af en toe komt er zo’n blad voorbij in de vrij stevige wind. En dat zijn dan nog maar onderdelen van het enorme samengestelde blad van een halve meter, met 19 deelblaadjes.

Er zijn mensen die minder blij zijn met de vleugelnoot, omdat hij overal wortelopslag maakt. Het is een ramp. Regelmatig zie ik dat er een nieuwe opslag is afgedekt met een vuilniszak, ik geloof dat elk middel geprobeerd wordt. En terecht, de tuin zou helemaal vol staan met deze enorme bomen. In het Bezuidenhout van Den Haag is een straat die vol staat met vleugelnoot. De bomen vormen met elkaar een grote tunnel die in de late zomer aan de binnenkant vol hangt met lange vruchtstaarten, wat een geweldig gezicht is en bijzonder om onder door te rijden. Ik ben benieuwd hoe ze daar omgaan met wortelopslag; dat lijkt me in een drukke stad een nog groter probleem.

Al schetsend zie ik een eindje verderop in de tuin het huis op de hoek van de Schoolstraat. Hé, dat heb ik nog niet eerder getekend, dat is apart, niks voor mij om dat niet eerder te zien. Als ik het af heb, zie ik pas waarom ik dat kan schetsen: de grote hulst die er voor stond is erg heftig gesnoeid. Ik schrik ervan.