Ik gooi het roer om.

Het verveelt me om in de tuin te tekenen. En dat komt omdat er geen ‘noodzaak’ achter zit. Zo heet dat in kunsttermen. Noodzaak betekent in mijn geval dat ik haast heb, dat het slecht weer is, dat ik pijn in mijn benen krijg van het staan, dat er herrie is om me heen, kortom, een beetje ellende. Dat mis ik. En als dat er niet is ga ik alleen tekenen als het mooi weer is, op de mooiste plek van de tuin. Dat is saai om te doen, maar ook om te zien ben ik bang.

Het is meteen leuker om er op uit te gaan. Iets beleven. Op de markt in Groningen is een geweldige viskraam en daar verlangde ik al naar van de week. Een beetje Portugees, een beetje vakantie.

De grote krabben trokken me. En daarnaast een enorme bak met krabbenpoten die kriskras door elkaar lagen. Terwijl ik tekenende begon een mevrouw naast me tegen mij te praten over de prachtige makreel. Ze noemde een Grieks recept, dat ik meteen opschreef en vanavond ga maken. Handig, je kunt het meteen opkrabbelen in het schetsboekje.

Onderweg naar station Noord kwam ik nog een exotische verrassing tegen: een Albizzia julibrissin, een geveerdbladige parosolboom met bovenop de parasol bloemen met lange lila meeldraden. Een heel bekende boom in Zuid Europa, dus hij hoort bij de bladzijde.

Zon en heerlijk zacht weer met een licht windje: mijn lievelingsweer. Precies goed.

De Clerodendron gaat bloeien. Ik hoop dat ie dit jaar niet zo veel knoppen laat vallen, want ik moet de prachtige bessen nog tekenen in september. Ik heb er zelfs speciaal een bladzijde voor ingeruimd in mijn nieuwste boek, voor de Clerodendron en de Ampelopsis, mijn twee favoriete struiken.

Ik zit buiten, met een stoel onder de struik. De kleurpotloden die ik nodig heb, uitgezocht en in mijn hand. Tekenend met een 0.05 fijnschrijver. Langzaam, goed kijkend en zo nauwkeurig mogelijk. Af en toe waait er een windvlaagje door de struik en dan moet ik even wachten. Of ik word afgeleid door de kolibrievlinder die in volle vaart langskomt. Of een gehakkelde aurelia die stil op een blad van de Callicarpa zit. Of de Fuchsia die in volle glorie bloeit. Allemaal zo mooi.

Ik zit bij de keukendeur met uitzicht op wat ik ooit de ‘rode tuin’ heb genoemd. Er staat niet alleen rood, want dat is me veel te beperkt, maar het is wel de leidende kleur. En dat is puur mijn eigen richtlijn. De planten bepalen namelijk zelf welke kleur dit jaar de boventoon gaat voeren, want er staan veel zaailingen in, zoals overal in mijn tuin. Dit jaar is de rode tuin wel heel erg rood. Dat komt door de bloeiende Crocosmia’s. Deze grote rode heet ‘Lucifer’, de engel uit de hel. Van mij mag het de hemel zijn, zo vrolijk en vurig.

Ik heb een tijdje zitten dubben hoe ik dit geheel zou aanpakken. Met verf? Met waskrijt? Het moet wel kleur hebben, dus geen aquarel, dat heeft te veel alleen maar sfeer. En opeens moet ik denken aan het strand in de Algarve waar we waren met een schetsreis. Het onderwerp was: vlaggen op bootjes op het strand. Een geweldig onderwerp, alleen had ik het al zo vaak getekend dat ik iets anders wilde. Alleen de vlaggetjes, zou dat kunnen? En dan zo dat je wel ziet wat het is. Half abstract dus. Dan moet je dus de vorm van een wapperend vlaggetje goed zien te treffen.

Datzelfde geldt voor bloemen. Ik besluit alleen de kleur aan te brengen, dus al het groen weg te laten (hoewel dat ook een kleur is natuurlijk). Dat werkt alleen als de vormen goed zijn, en daar heb ik nog wel iets in te leren. De Hemerocallissen vooraan bijvoorbeeld kunnen beter. Misschien doe ik het nog wel een keer; het is een leuke uitdaging.

Daar gaat ie, van links naar rechts:

bruine venkel, aarleeuwebek, teunisbloem, dille, Verbena, koningskaars, Miscanthus, Spaans riet, ezelsoor, vrouwenmantel, stokroos, pluimpapaver, duizendknoop (in een grote pot), en in de zwarte bak: kompasplant.

Stuk voor stuk jongens die houden van groeien. Dat is precies de reden dat ze hier staan, want dt moet een spannend poortje worden naar de ‘benedentuin’. De grote zwarte metselkuip staat op een hoge stapel stoeptegels. Zo heb ik een lekker beschut plekje waar niemand me kan zien.

Als ze allemaal zo groot worden als ze kunnen, wordt het hier een woud van 2 meter hoog, met nog een woud er bovenop dus van de kompasplant. Dan moet ik met mijn kapmes een gat maken om er door te kunnen met mijn dagboek en kopje koffie. Heerlijk.