Na een paar heel drukke dagen was ik gewoon mijn Schetsdagboek vergeten. Dus ging ik woensdagavond naar de Lange Duinen in Soest om een net zo’n heerlijke tijd te hebben als laatst in Kootwijk. Het was schitterend weer, windstil, zonnig na een stralende dag en de zonsondergang leek mooi te gaan worden.

Ik tekende wat heide en bomen met potlood, maar het zag er volkomen futloos uit. Ik moet gewoon op een andere plek gaan zitten dacht ik na een half uurtje, dan gaat het wel. Op die andere plek dacht ik dat het natuurlijk lag aan het willen produceren, en ik liet het gaan (zogenaamd). Op weer een andere plek lag het nergens meer aan en raakte ik geïrriteerd. Mijn gedachten waren er totaal niet bij. Dat kan natuurlijk, maar het is confronterend als zo’n landschap alsmaar blijft herhalen: ‘aan mìj ligt het niet hoor….’

Ik gaf het op. Dan maar niet. En na een tijdje mokken zag ik een heel klein wit vlindertje voorbij vliegen. Het fladderde heel rommelig en onduidelijk tussen de heide door en was opeens weg. Ik ging naar de plek waar ik het had gezien en ontdekte het diertje aan de onderkant van een dennennaald. Dat vind je dus normaal helemaal nooit. Maar nu dus wel. Ik heb het bestudeerd en moest zelfs mijn bril afzetten om het goed te kunnen zien, zo klein was het. En ik was zelf ook helemaal weg en totaal van de wereld. Dat is nou precies waar schetsen over gaat. Vandaar nu een bladzijde uit mijn ‘Kleine beestjesboekje’.

Ik gaf gisteren een excursie met de titel ‘Les van de Meesters’ in het Rijksmuseum. Een lesdag rond het studeren op schilderijen van de grote schilders uit de Nederlandse geschiedenis, door te schetsen in een klein boekje. Eén van de opdrachten was om je te laten verleiden door de schilderijen en niet bewust te zoeken naar het mooiste (of het makkelijkste) werk om te schetsen. Ik heb zelf meegedaan.

Dwalend door een zaal van het Rijksmuseum viel ik op een schilderij van Breitner dat heel bekend is: ‘de Gele Rijders’. Het is een schilderij met door de duinen rennende paarden en ruiters en het mooie ervan vind ik de enorme vaart die erin zit. Die vaart wordt nog eens versterkt door het aflopende perspectief, de kromme weg die men aflegt en het oplossen van de vormen in alleen vlekjes rood en geel aan het einde van de groep ruiters. Een mooi schilderij, maar voor mij is het ook nog speciaal omdat mijn opa van vaders kant bij de Gele Rijders was. Niet dat ik hem in levende lijve in uniform gezien heb, maar de familie heeft wel foto’s van hem in uniform te paard. Dus dan zal het wel. Ik vind het reuze stoer. Ik was gek op mijn opa, omdat hij net zoals ik altijd naar de grond liep te kijken en altijd met iets in zijn handen liep wat hij had opgeraapt. Het zit dus in de genen. En daarom sprak dit schilderij me aan.

De linker ’Breitner’ sprak me aan vanwege het schilderij zelf, en dan vooral het waanzinnig rood van de kimono die het liggende meisje draagt. Er zijn dus verschillende redenen waarom iets me aanspreekt, en dat vind ik boeiend. Daarom worden mijn schetsboekjes me zo dierbaar.

Als je over de A1 naar Apeldoorn rijdt, kom je bij Kootwijk langs een groot bosgebied dat in de winter altijd heel mooi is vanwege alle gekronkelde dennen. Ik besloot daar te gaan tekenen nu de heide bloeit. En verder nam ik me voor om rustig te tekenen met kleurpotlood. Dat houdt wel in dat ik al mijn rollen potloden moet meenemen naar de plek om te tekenen, en voor de zekerheid ook maar mijn aquarel en zo, want je weet maar nooit, en dat is een heel gesjouw. Vlak na de parkeerplaats zag ik een man aan een picknicktafel achter een laptop. Eerst moest ik lachen om het Monty Python-beeld, en toen ik vroeg of de hei erg ver weg was zei hij: ‘Geen idee, ik ben niet verder gekomen dan hier’. Leuk. Hij verder met zijn werk, ik ook.

De hei was maar vijf minuten lopen en ik vond een prachtig heuveltje met veel dennen om lekker in de schaduw te zitten. Ik heb mijn knalgele lage stoeltje neergezet en al mijn tekenspullen om me heen gedrapeerd. Wat voelt dat rijk! Vanaf het bergje had ik een prachtig uitzicht over heide, grassen en kleine boompjes. Ik heb anderhalf uur gedaan over het eerste plaatje (jawel, ik kan het wel). Ik heb het landschap precies zo gedetailleerd getekend als ik met bloemen zou doen. Ik doe zelden zo lang over iets, maar het was heel erg leuk om te doen en heerlijk om met al die kleurtjes te werken.

In de pauze ben ik op ‘Kleine beessies-jacht’ geweest, want er kwamen zo veel vlindertjes voorbij dat ik dat ook even moest vastleggen. Irritant als die vlinders hun vleugels dichtgeklapt houden, want dan kun je ze niet determineren. Tijdens het wachten zag ik even verderop een hagedisje en een sprinkhaan, maar eenmaal gekozen voor een vlinder moet je volhouden. Helaas, hij ging niet open.

Maar wat een dijk van een middag weer.

Gisteren had ik eenvoudig geen puf om met mijn schetsdagboek op pad te gaan. En eigenlijk geen tijd. Daarom neem ik vandaag een bladzijde uit mijn nieuwe project: het ‘Kleurboek’. Schrik niet, ik ben geen kleurboeken voor volwassenen aan het ontwerpen, maar de titels in de winkels hebben me wel geïnspireerd tot een boek over kleur.

Ik heb in de winter een overzicht gemaakt van alle kleuren die bloemen kunnen hebben. Om dat te bereiken heb ik eerst stapels bloemenfoto’s geknipt uit oude tijdschriften. Vervolgens op kleur gelegd en per kleur op één bladzijde geplakt. Op zich is die verzameling al een lust voor het oog.

Toen heb ik in een leeg tekenboek een indeling gemaakt van alle voorkomende bloemenkleuren: één kleur per bladzijde. Als ik nu een inspirerende bloem tegenkom teken ik die meteen op de goede bladzijde.

Tja, en dan blijkt dat die foto’s niet helemaal betrouwbaar waren, dat blauw in werkelijkheid paars is, en geel roder dan je denkt. En dat de zomer zo nat is dat er vrijwel alleen hortensia’s bloeien.

Dus ik zal nog een jaar nodig hebben. Wat helemaal niet erg is, want ik moet er niet aan denken dat dit project helemaal af is.