Herfst.

De grauwe abeel achter mijn tuin begint okergele bladeren te krijgen. Dat is heel fraai tegen de lichtblauwe najaarslucht. Verder zijn het nu vooral kleurspikkels in de rommeliger wordende tuin. De trouwe hoge zonnebloemen zijn heldergeel, de Clerodendron heeft nog steeds zijn waanzinnig mooie bessen en krijgt nu bronskleurig blad. Omdat het blad ook allemaal aan het kleuren slaat, wordt het geheel een lekker zootje.

Hier en daar de felle kleuren van Cotoneasterbessen, rozenbottels en bloeiende eenjarigen. En verder vooral heel veel kleurende grassen die ik vorig jaar speciaal heb geplant op strategische plekken. Ik houd wel van grassen, maar dan heel spaarzaam op plekken waar een bronsgele of warmgele kleur nodig is in de herfst. (En dan vooral naast een blauwe Aconitum, zoals bij mijn keuken!) Ik heb het niet zo op de steppetuinen met veel grassen, want die worden mij in de loop der tijd te rommelig. Er komt een moment dat de bloemen uitgebloeid zijn en wat dan? Dan heb je alleen die grassen, zonder het ‘doorkijkje’-effect. Dan is het alleen maar effect.

Ik geniet van mijn tuin. En er is altijd wat te doen en mooier te maken. Zo komen straks de bollen. Die ga ik pas planten als ik goed kan zien waar de bodem leeg is.

Alles bloeit nog. Zelfs voor het keukenraam kijken de bloemen van Salivia microphylla ‘Hotlips Purple’ gewoon naar binnen. Evenals de rode Ipomoaea van mijn dochter. Dus heb ik er ook maar een starend boertje bij gezet. Die vond ik bij de kringloop voor 20 cent. Hij staat met zijn handen op zijn rug te turen met een veelzeggende stille glimlach. Hij denkt er duidelijk het zijne van. Ik vind het een geweldig beeldje, heel simpel, heel mooi afgewerkt.

Verderop in de tuin staat sinds vorige week een Aconitum, een late monnikskap. Die zag ik vorig jaar in een tuin bij El Dorado in Zuidwolde nog volop bloeien toen alles al verder kaal was. Die moet ik hebben, dacht ik. En die heb ik nu. Hij is nog klein, het zijn die twee blauwe knoppen vooraan. Ik zie het voor me als hij 1,5 meter hoog is.

Door mijn enthousiasme voor alles wat in deze tuin staat zijn de kleuren allemaal veel te sterk geworden en kon ik er geen wijs meer uit. Dus heb ik gedaan wat mijn leerlingen niet mogen: ik heb met kneedgum de hele achtergrond vaag gemaakt. Nooit meer luisteren naar die juf dus.

Ochtendlicht. Nou ja, om half elf dan. De herfstzon schijnt bij de buren over het gemaaide gras met paarse schaduwen. Het treft me omdat het licht zo helder is.

Ik heb geprobeerd dit nat in nat te schilderen. Dat kan wel, maar je moet tussendoor zorgen dat het papier steeds heel goed droog wordt. En dat heb ik natuurlijk in mijn enthousiasme niet gedaan. Ja, dan wordt het een knoeiboel. Je kunt het wel herstellen als het echt kurk- en kurkdroog is … dus gewoon wat anders gaan doen, en pas terugkomen als het klaar is.

Dus heb ik net (15.30 uur) nog een herstellende laag gedaan en dat maakt het in ieder geval makkelijker om naar te kijken. Moet je ook eens proberen in zo’n ‘Flying Tiger’ boekje. Het is een uitdaging.

Dit is het kleine hoekje bij de wintertuin, het stukje dat je ziet vanuit de tuinkamer. Een heerlijk plekje in de winter als de verwarming daar aan is. Ik heb gezorgd dat daar voor het raam veel interessante dingen staan zoals kleurende pijpestrootje, mijn winterharde Fuchsia, kornoelje ‘Midwinter Fire’ (de naam zegt genoeg) en wintergroene planten.

Maar nu zit ik nog buiten. Tegen de muur van de tuinkamer is het meest geslaagde plekje van mijn tuin. Een klein witbont klimopje met daaroverheen een Cotoneaster horizontalis. Het is heel simpel, maar zo prachtig om te zien, en zeker op die mooie Groningse baksteen. De knalrode besjes van de Cotoneaster gloeien op in de zon en zijn net iets feller van tint dan de baksteen. En het donkere piepkleine blad vormt een rustige ondergrond. Het is een heerlijke, betrouwbare en makkelijke plant. Christopher Lloyd van Great Dixter was er ook gek op en in zijn tuin zag ik ooit de mooiste snoeivorm van Cotoneaster, met de vorm van een trapje mee naar beneden. Die ben ik aan het imiteren bij mijn eigen kleine trapje, maar dat duurt even.

En ik hoef alleen maar op tijd te knippen, zodat het geheel een mooi recht blok gaat worden. Er staan een paar bolgewasjes aan de voet van de muur, die zo nu en dan een spannende toevoeging zijn. En natuurlijk mijn Cobaea nu. Mijn weelderige klimplanten kleven aan alles vast wat maar mogelijk is, en van mij mogen ze. Ze bloeien en bloeien, en doen geen vlieg kwaad. Wat wil je nog meer?