Eindelijk. Eindelijk. Er komt iets boven de grond. Sterker nog, op allerlei plekken staat het wit van de sneeuwklokjes, en wat nog leuker is, geel van de winteraconieten. Want die heb ik nog nooit zo veel gezien als hier. Sommige plekken onder de bomen zijn helemaal stralend geel als de zon een beetje schijnt. Vorig jaar heb ik één van mijn eerste schetsen geprobeerd bij de pastorie in Warffum, waar het een geel feest is van aconieten. Maar het was veel te koud en nat toen om te schetsen.

Ik teken vandaag meteen een sneeuwklok op de bladzijde met witte bloemen in mijn ‘Kleurboek’. En ik teken hem nog een keer in mijn ‘de andere Flora’, deel III alweer. De laatste plant die ik daarin heb getekend is een eigenaardige schermbloem uit Nancy, getekend in juni 2016 (Laserpitium latifolium). Twee jaar later ga ik gewoon door, sterker nog, ik ga een heleboel planten tekenen die hier groeien en die ik nog niet heb.

Het is nog lastig om die voorjaarsbloemen te tekenen. Praktisch gezien dan, want de geplukte knoppen gaan in het warme atelier vrijwel direct uit elkaar en zijn heel snel volkomen uitgebloeid. Nooit geweten dat die aconieten zo zalig ruiken.

Tijdens mijn rondje silhouetten tekenen in de noordwesthoek van Groningen word ik regelmatig overvallen door een hagelbui. Dan is er geen silhouet te zien en moet ik dus gewoon even wachten. Het duurt allemaal niet zo erg lang, en voor ik het weet is er dan weer een heel stuk blauwe lucht te zien. Geweldig, ik houd er wel van, van die woestheid. Vanuit de auto dan.

Ik besluit de tijd nuttig te gebruiken en schetsen te maken van de lucht. Het gaat allemaal zo snel dat ik nog echt snel moet schetsen ook. Vooral het noteren van de kleuren duurt veel te lang. Vandaar dat ik thuis niet meer precies weet wat ik moet schilderen en tot hoe ver. Ik moet dus de kleuren preciezer opschrijven per vak, want anders worden al mijn luchten ongeveer hetzelfde. Vervolgens gum ik alles uit en schilder met grote vaart de lucht in met heel natte aquarel. En dan maar afwachten.

Het papier krult op, natuurlijk. Het boekje kreunt, maar zo’n schetsje als dit geeft toch aardig weer wat het sfeertje was.

Ik ben aan een nieuw project begonnen: het vastleggen van het wintersilhouet van alle Noord-Groningse dorpen. Veel dorpen hebben een prachtig silhouet in de winter, met kale bomen en boerderijen in de polder. De kunst is om elk dorp zo kenmerkend mogelijk weer te geven. Dat begint meestal met een kerk, en vaak ook een oude molen. Dan de grootste schuren en boerderijen, en bijzondere dingen zoals windmolens. Het is vaak een hele toer om niet alleen de beste plek te vinden, maar ook steeds op ongeveer dezelfde afstand. Voor de dorpen die ik nog niet zo goed ken, kan dat behoorlijk lang duren, en rijd ik meerdere malen rond het dorp.

Ik werk vanuit de auto. (Hoezo lui? Je denkt toch niet dat ik met dit weer buiten ga zitten om heel gedetailleerd te tekenen met een Micron-pennetje 005?). Dus ik zit in een warme auto met alle spullen op de bijrijdersstoel naast me. Omdat ik achter het stuur zit, is het een beetje manoeuvreren met mijn boek van Derwent, dat maar liefst 45 centimeter breed is. Het plan is dat ik meteen alles definitief teken, dus dat moet ter plekke en dat kost veel concentratie. Ik doe tien minuten over het wennen aan de plek, wennen aan mijn spullen, aan de vogels die heen er weer vliegen. Voor mij is tien minuten vrij lang.

Vervolgens doe ik een half uur over een tekening. Eerst zet ik een paar punten met potlood: bijvoorbeeld de hoogste boom en de breedte van het landschap. Dan begin ik in het midden bij iets bijzonders. En zo werk ik linksaf en rechtsaf al krabbelend met mijn pennetje. Het resultaat is heerlijk, vind ik, want elke tekening wordt compleet anders, terwijl het toch duidelijk een serie is. Een omvangrijke serie. Nog veertig dorpen te gaan.