De achterkant van de kerk in de zon met een grote vleugelnoot erachter. Bijzondere leverachtige kleur en zachtgeel. Ik zou nog steeds een studie doen naar de exacte kleuren.

Ik vrees dat het voorlopig even blijft bij deze schets van een paar seconden. Want ik ben helemaal verliefd op de vers gevallen kastanjes op de Hoofdstraat. Het ligt er helemaal vol mee, en ze zijn nog niet kapot gereden. En er liggen van die prachtig witte bolsters bij, die na een paar uur bruin zijn. Dus het is allemaal echt vers. En ik kan natuurlijk niet kiezen dus neem handenvol mee. Ook voor in een schaal.

De allermooiste is toch deze bijna oranjebruine. Die lui van Faber Castell moeten kleurenblind zijn, want ‘kastanjebruin’ is helemaal niet bruikbaar. Ik heb ‘Venetiaans rood’ gebruikt, en daarbij heb ik toch hele andere associaties.

Ik zag een rouwstoet voorbijrijden, dus het leek me niet het moment om in de kerktuin te schetsen. Daarom heb ik een aantal bessen en vruchten afgeknipt en meegenomen naar mijn atelier. Dat duurt 5 minuten. Vervolgens zit ik 1,5 uur te tekenen. En te schrijven.

Soms is dat ook wel weer lekker, om aan mijn tafel te turen op de bessen van de karmozijnbes. Het is een ingewikkeld geheel, vooral omdat ze nog glanzen ook. Iemand in het dorp noemde die bessen gevaarlijk. Niet dat ze je zullen aanvallen, maar ze zijn erg giftig. Dat klopt, maar alleen als je ze allemaal opeet en na de eerste bes begin je al te spugen van walging, dus zo’n vaart zal het niet lopen. Bovendien vind ik dat je beter aan voorlichting kunt doen, dan alles wat gevaarlijk is uit de weg halen, en dat geldt niet alleen voor bessen….. Dus bij deze.

Heerlijk, rozenbottels kleuren, met al die tintjes geel, oker, oranje en rood. Met kleurpotlood kun je die overgangen van de langzaam kleurende bessen prachtig weergeven. Beter dan met aquarel. En mijn tekentafel gaat er zo heerlijk uitzien met al die potloden en bessen, daarom zou je het alleen al doen.

Woensdag, dus Schetsdagboek.

Maar ik ben niet in Warffum, maar ergens anders. Jullie mogen raden waar. Ergens waar geen stinsentuin om de kerk ligt, maar een begraafplaats. Er staan heel oude graven die met een prachtig oranjegeel korstmos bedekt zijn, heel mooie kleuren. Er staat ook een heel nieuw graf in de vorm van een houten paal, dat is weer eens wat anders dan een steen, leuk eigenlijk.

De begraafplaats is zo vol dat je nauwelijks tussen de graven door kunt lopen, en dat doe ik dus ook maar niet. Vooral niet omdat er iemand aan het grasmaaien is met zo’n ronde schijf. Ik vraag hem hoe oud de gigantische hulstheg wel niet is die om het kerkhof staat, en hij weet het niet. ‘Hij stond er al toen ik klein was.’ Ik schat de man ergens in de zeventig, maar ik vermoed dat de heg veel en veel ouder is, want de stammen zijn wel zeven centimeter in doorsnede, en zo hard groeit hulst nou ook weer niet.

Het motregent en ik probeer er nog wat van te maken, maar het gaat steeds harder regenen dus ik zal ergens moeten schuilen. Jammer. Thuis maar verder afmaken.

Wat is de nazomer toch fantastisch. Wél een blauwe lucht en een stralende zon, maar zonder de warmte van de zomer. En die was heet. Vandaag is het 14 graden en ik zit bij de grote esdoorn in de kerktuin. Met Siep natuurlijk.

Wat me opvalt zijn de ielige grasjes van het gemaaide perk geraniums. Ze komen gewoon weer op en gelukkig maar. Grasjes en ronde Geraniumblaadjes. Stralend tegen de donkerte van de bruine aarde en de schaduw van de Taxus.

Ik zit op mijn gele stoeltje lekker onderuit en kleur van licht naar donker. In de schaduw van de stam zie ik de kleuren van mijn potloden niet goed en grijp ik soms mis naar bruin, paars en donkerblauw.

Ik zal een kleurtje monumentengroen in mijn doosje doen, voor die raampartijen die ik steeds weer tegenkom.