26. Trachelospermum jasminiodes – Toscaanse jasmijn

Deze klimplant zie je in het hele Middellandse Zeegebied. Overal tegen de huizen groeit hij en bedekt muren en pergola’s met heerlijk geurende trossen bloemen. Weelderig en heerlijk om te zien. En ook in Noord-Groningen, zeker met de temperaturen van vandaag, vindt hij het alleen maar heerlijk. Om te klimmen heeft hij wel een steuntje nodig, dus heb ik eerst een hekje tegen de muur laten maken, en daar windt hij zijn dunne stengels makkelijk omheen. Daarna zit het muurvast. Er zit voor de late zomer nog een Lobelia met paarse bloemen doorheen voor de blijvende bloei.

De bloemen van de plant hebben een draai die doet denken aan maagdenpalm. Het zijn een soort windmolentjes. Inderdaad is de plant familie van maagdenpalm, en heeft ook het bijbehorende melksap. Dus na het snoeien even de snoeischaar schoonmaken. Hij staat bij ons keukenraam, waardoor het wit van de bloemen prachtig past bij de wit met groene kozijnen.

In de winter blijft hij groen, en dat is altijd fijn. Ik kies altijd zo veel mogelijk functies van een plant, zodat ik er elk seizoen wat aan heb. Dus wintergroen, mooie herfstkleur, bloei en voorjaarsbloei, het kan me niet genoeg zijn. De uitlopers in de late lente hebben een mooie roodachtige glans, een beetje koperachtig, wat ook weer prachtig is.

25. Campanula rapunculoides – rapunzelklokje

Bij een vriendin stonden deze klokjes zomaar tussen de tegels te bloeien. Zo simpel, zo vanzelfsprekend, dat ik er jaloers van werd. Ik ben gek op dit soort dunne eenjarige plantjes, die zichzelf uitzaaien. Ze bepalen zelf of en waar ze groeien. Misschien is dat wat ik er leuk aan vind. Dat de mens er niets over te zeggen heeft. Hoe graag ze ook ergens wilt, ze lijken juist daar niet te willen groeien. Of breng ik er nu te veel Attenborough-sentiment in?

Anyway. Ik kreeg natuurlijk zaad. En dat heb ik uitgezaaid op die kale plekjes met zand die ik ook in mijn tuin heb. Water gegeven natuurlijk, in de gaten gehouden natuurlijk. Niks. Jaren niks. Tot opeens ergens iets opkwam en ik dacht: het zal toch niet? Op de muur. Natuurlijk, maar daar had ik ze niet gezaaid, dus hoe dat mogelijk is, blijft een raadsel.

Op de muur dan maar, maar van daaruit de tuin in alstublieft. En nu staan ze op verschillende plaatsen en is hij officieel ingeburgerd. Over inburgering gesproken: heeft u zich weleens gerealiseerd dat 80 % van onze tuinplanten uit andere landen komt? Iran, Irak, Turkije, Afghanistan, Zuid-Afrika, China, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Planten. Maar ja, die verkrachten je dochter niet.

24. Rosa ‘Blush Noisette’

Rosa ‘Blush Noisette’ is een zogenaamde Noisette-klimroos, een gekweekte soort van een oude doorbloeiende trosroos, die in 1820 al door Redouté werd getekend. Genoemd naar haar Franse kweker Philippe Noisette. Het waren de eerste rozen die het hele jaar door bleven bloeien. Ze hebben veel kleine bloemen, in grote trossen met feller gekleurde knopjes. De bloemen verkleuren naar wit, hebben dunne blaadjes en geuren zacht.

Het is een forse struik met heel lange takken, die je dus uitstekend kunt vastknopen aan een hekwerk (= leiden). Ik heb haar als struik en laat haar door een gaaswerk van betongaas groeien. Dat geeft een schitterend effect. Achter de struik staat een grote Cotinus coggygria met donkerpurper blad, waardoor de witte roosbloemen mooi uitkomen.

De roos heeft heel wat meegemaakt in mijn tuin. Na de aankoop in oktober 2018 bij mijn kweker in Baflo heb ik haar bij het Piceaplein gezet. Een heel rare plaats met slechte grond. Daar begon ze het eerste jaar zo lief te bloeien, dat ik haar verhuisd heb naar een betere plek. ‘Mag niet tegen een zuidwestmuur’ las ik in de boeken, want dan krijgt ze meeldauw. Ik weet niet waar ik haar toen gezet heb, maar ze verpieterde volgens mijn dagboek weer. In de strenge winter van 2018 heb ik haar ingepakt met oude kleren. En toen ik haar in mei 2019 eindelijk op haar huidige plaats in de paarse tuin zette, begon ze dankbaar te groeien en uitbundig te bloeien. Hoezo kunnen planten niet praten? Ze zingt en fluit de hele dag. Ze vindt het een topplek.

23. Dianthus plumarius – grasanjer

Na het rode geweld van vorige week deze keer iets subtiels, de grasanjer. Een heel dunne steel met typische bladparen van een anjer en een dunne bloemschotel van vier ingesneden blaadjes. Heel licht babyrose met een band in het centrum van donker fuchsia. Fraai.

De plant staat op mijn muur van betontegels in een laagje aarde van nog geen 3 centimeter en hij doet het goed. Oorspronkelijk groeien ze in het hooggebergte, dus weinig aarde zijn ze wel gewend. De dunne stengels groeien vanuit een middelpunt bevallig uit elkaar als een fontein, en omdat dat zo prachtig is, heb ik er een tweede bij geplant. Ze staan op een hoogte van 1,30 meter, dus je kunt ze goed bekijken. Sterker nog, je kunt er zo met je neus in.

22. Papaver orientalis-Hybride – oosterse klaproos

De oosterse klaproos is een grijsgroene, wat slungelige plant. De lange bloemstengels vallen bijna altijd om, en richten zich daarna weer op. Maar dat ziet er heel slordig uit. Hij staat het beste als hij kan leunen in een struik zoals Physocarpus opulifolius in mijn tuin. De stengels groeien hard in mei en in een mum van tijd zie je de kogelronde knoppen. Op een dag barsten die open en er staat opeens een enorme rode bloem tussen de struiken. Oranjerood, en zo enorm dat iedereen hem meteen ziet.

Ik vond dit zo’n geweldig spektakel dat ik een paar jaar geleden besloot er heel veel te maken. Ik heb de plant opgewipt en van de wortels heel zorgvuldig vijf nieuwe planten gemaakt. Alle vijf zijn goed aangeslagen en staan in dezelfde langwerpige tuin. Een paar dagen geleden telde ik opeens 18 dikke ronde knoppen. En gisteren waren en vier open gekomen. Vandaag staan er 11 te bloeien. Het is een feest, en precies het effect dat ik wilde bereiken.

Een plant die na de bloei heel snel lelijk blad krijgt, dus hij staat daar prima; verscholen tussen de struiken.