VOORJAAR! Ik heb de hele dag in de tuin gewerkt en ik zie overal iets opkomen. Zoals gepland ga ik nu op detailniveau aan het werk. Met mijn handen als hark de mulch weghalen en kijken wat er allemaal opkomt. Intensief werkje, maar dat doe ik niet door de hele tuin hoor. Eigenlijk zijn er maar een paar dingen die altijd weg kunnen, dus wat (in mijn tuin althans) onkruid is: beekpunge, brandnetel, kweekgras en paardenbloem. Hoe mooi ze ook zijn in de natuur.

En bij de rest moet ik enorm uitkijken dat ik geen leuke dingen weghaal. Overal staan zaailingen van tweejarigen. En waar ik ze liever niet heb, spit ik ze voorzichtig uit en verhuis ze naar een betere plek. Meconopsis bijvooorbeeld is mooier met een hele club dan in zijn eentje, dus die verhuis ik consequent naar één plek in de tuin. Ze hebben wel heel lange wortels dus ik ben blij dat ik op tijd ben. Vergeet-mij-nietjes staan vaak veel te dicht op elkaar, dus die splits ik en verhuis ik ook. Zo ben ik de hele dag aan het slepen met kleine plantjes. Waar de grond vrij gekomen is, heb ik alvast sterke eenjarigen gezaaid. Veel te vroeg natuurlijk, maar ik probeer het gewoon.

En dan staan er overal nog heel veel zaailingen met maar twee kiemblaadjes. Geen idee wat het is, dus laten staan tot ik het wel weet. En dan blijken het misschien allemaal zaailingen van de linde. Ik strooi nooit meer lindeblad als mulch. O ja, en de binnen opgekomen zaailingen heb ik in een groot krat buiten gezet zodat ze konden kijken. Konden ze meteen een beetje wennen aan buiten.

Niet te geloven dat het vorige week zo stormde.

Nu zit ik op het terras in de tuin. Het is zo zacht dat ik niet snel hoef te zijn. Dus zit ik lekker rustig te kijken. Omdat het contrast met vorige week zo groot is, besluit ik ongeveer hetzelfde te schetsen. Maar dan iets hoger tegen de lucht, want de abeel van de achterburen bloeit met witte katjes en de lucht is egaal blauw. Zo mooi. Het is trouwens geen wilgensoort, wat ik eerst dacht, maar een grauwe abeel. In tegenstelling tot de witte abeel die hier zo prachtig langs de wegen staat. Die heeft veel witter blad en zo’n mooie stam met zwarte ‘ogen’.

Ik haal mijn kleurpotloden en probeer de bloeiende takken te pakken met alleen kleur. Dat is een hele uitdaging, omdat ze nogal klein zijn. Ik besluit alleen de lucht te doen en waar het contrast het grootst is, duw ik wat harder op mijn kleurpotlood. Het werkt.

Het is heerlijk buiten, met een dik vest weliswaar. Maar alle kauwen in de bomen kakelen, de koolmeesjes zitten elkaar achterna, de duiven vliegen piepend en knarsend voorbij en de kraai zit achter me op het dak te praten. En verder hoor je hier niks. Ja, de vuilnisman.

Gisteren naar Zetten geweest, dus vandaag schetsen. ‘Maar het stormt.’ Ja en? Zijn we van suiker?

Windklemmen, dat is wat je absoluut nodig hebt om je papier een beetje in bedwang te houden. Het stormt echt: ik hoorde op de radio dat er bomen zijn omgevallen, en overal dakpannenschade. Ik sta dan ook mijn evenwicht te houden in de tuin. Het is een hele uitdaging om me te concentreren met deze herrie en beweging, en dat is dan weer nieuw en leuk.

Ik heb hier niet te maken met omvallende bomen, maar met een groep kauwen die de afgelopen dagen heel druk is geweest met het verzamelen van dode takken. Die brachten ze één voor één naar de nesten langs de begraafplaats linksachter. Ik vond het een aandoenlijk gezicht om die vogels met een veel te grote tak te zien vliegen. Het zijn net mensen: hebberig. Maar in verschillende bomen zitten nu al mooie proppen van nesten. Ik zie nu dat de bomen ongeveer 4 meter heen en weer zwiepen, dus ze mogen wel zorgen dat die takken in ieder geval vast zitten. En dat ze niet zeeziek worden.

Met mij kijkt de kraai toe. Hij zit boven mijn hoofd in de abeel en ik roep hem gedag. En in de laurierheg die heen en weer zwiept zie ik lichtgroene knoppen en aan de ranken van de Akebia donkergroene. De natuur gaat gewoon door.

Ik liep een beetje te dromen tijdens mijn lopie door de tuin. Waar zal ik eens gaan zitten, dacht ik. Ik zag van alles: kleine knopjes aan de Akebia, uitlopers aan de Clematis, rode spruiten bij de Phloxen, en natuurlijk overal puntjes van bolgewassen, vooral van die heerlijke vogelmelk. Planten die je in de winter al helemaal vergeten bent, en opeens zijn ze er weer.

Maar ik dacht dat het een stralende lentedag zou worden en een lekker schetsje in de zon. Niet. Ik draaide me om omdat ik de poes van de buren hoorde mauwen. ‘Hé, hoi’! Het is een prachtige grijs-witte Main-Coon, die altijd aandacht wil. Ik praatte tegen hem en hij nestelde zich daarna met een koninklijk air op één van de tuinstoelen.

En toen zag ik het mooie uitzicht pas van de grijze kerktoren in de mistige lucht. Een donkergrijze driehoek in een grijze omgeving. Vijftig tinten grijs. Met daarnaast de dikke kronkeltakken van de oude kastanje in de kerktuin. En de huizen van ons en de buren, die op de helling van de wierde staan, dus schuin achter elkaar. Erg leuk om te schetsen en erg dierbaar inmiddels. Wat ben ik toch een mazzelaar met zo’n omgeving!