Ik liep een beetje te dromen tijdens mijn lopie door de tuin. Waar zal ik eens gaan zitten, dacht ik. Ik zag van alles: kleine knopjes aan de Akebia, uitlopers aan de Clematis, rode spruiten bij de Phloxen, en natuurlijk overal puntjes van bolgewassen, vooral van die heerlijke vogelmelk. Planten die je in de winter al helemaal vergeten bent, en opeens zijn ze er weer.

Maar ik dacht dat het een stralende lentedag zou worden en een lekker schetsje in de zon. Niet. Ik draaide me om omdat ik de poes van de buren hoorde mauwen. ‘Hé, hoi’! Het is een prachtige grijs-witte Main-Coon, die altijd aandacht wil. Ik praatte tegen hem en hij nestelde zich daarna met een koninklijk air op één van de tuinstoelen.

En toen zag ik het mooie uitzicht pas van de grijze kerktoren in de mistige lucht. Een donkergrijze driehoek in een grijze omgeving. Vijftig tinten grijs. Met daarnaast de dikke kronkeltakken van de oude kastanje in de kerktuin. En de huizen van ons en de buren, die op de helling van de wierde staan, dus schuin achter elkaar. Erg leuk om te schetsen en erg dierbaar inmiddels. Wat ben ik toch een mazzelaar met zo’n omgeving!