Vandaag was ik in Warffum. Eén overnachting en een hele dag om te schetsen. Dat was hard nodig, want al mijn innerlijke beelden kwamen uit de omgeving van Eenrum en Warfhuizen, twee dorpen die ik verkend heb omdat we er bijna zouden gaan wonen. Ik ben daar toen uitgebreid gaan rondhangen met mijn schetsboek om van alles vast te leggen. Als ik schets ben ik op die plek meer aanwezig dan als ik alleen maar kijk. Het voelt echt alsof er wortels op die plek groeien die altijd in de grond blijven zitten. Dat heb ik met elke schetsplek waar ik gezeten heb. Of het nu lang geleden is of niet. In Eenrum en Warfhuizen zijn er intussen een heel aantal van die plekken. In Warffum had ik er nog niet één. Na vandaag heb ik er elf.

Ik had pech. Het miezerde de hele dag. Ik vind slecht weer niet erg, kou niet, harde wind niet, maar regen maakt mijn papier onbruikbaar. Door de natte plekken pakt mijn pen niet.
Maar daar heb ik natuurlijk iets op gevonden. Ik parkeer mijn auto met de neus de goede kant op, installeer alle spullen op de bijrijdersplaats en schetsen maar. Radiootje op 4. Appeltje bij de hand.

Tijdens het verzoekprogramma op Radio 4 werd een stuk van John Dowland gespeeld omdat iemand twee druppels langs het raam zag biggelen. Daardoor werd ze herinnerd aan zijn ‘Lachrimae’. Een heel droevig, langzaam en prachtig lied, wat heel goed paste bij mijn wazige regenschets.

De ineengedoken fietser die voorbijkwam, zwaaide alleen met de vingers van de hand aan het stuur. ‘Moi’.

Ik ben gek op bladeren. Grote, kleine, smalle, brede, donkergroene en lichtgroene bladeren. En als het zulk grijs weer is als vandaag mis ik ze soms zo erg dat ik naar een tuincentrum ga met veel kamerplanten. Of naar Burgers’ Bush, zoals vandaag.

Ik heb twee uur rondgehangen in het tropisch regenwoud. Heerlijk. Om me heen de mooiste vogels en bloemen en overal allerlei bladeren. Het geeft me een heel weelderig en rijk gevoel. Gek, terwijl ik toch nooit in de tropen ben geweest lijkt het alsof ik me er thuis voel. Het herinnert me in ieder geval aan de achterburen van mijn ouderlijk huis in Wageningen, die uit Indonesië kwamen. Hun huis stond vol met grote bananenbomen, een enorm tropisch aquarium, een opgezette tijger in de gang, en sabels aan de muur. Waarschijnlijk heeft die sfeer gezorgd voor mijn tropische fascinatie.

Ik heb heel veel gezien vandaag. Ik heb blauwgroene hagedissen gezien en paarse vogels. Ik was gelukkig, ik heb genoten. Deze bladzijde zou een afspiegeling moeten zijn van dat gevoel, maar dat valt me tegen. Terwijl ik er zo mijn best op heb gedaan.

En dat zal de oorzaak zijn.

Hier en daar wordt het schoorvoetend lente. Een narcissenblad steekt boven de grond uit, een stelletje crocussen in blad, en sneeuwklokjes in knop. Veel meer is het niet. Het is dan ook nog lang geen lente.

Ik reed naar het oude arboretum ‘de Dreijen’ in Wageningen (mijn stageplek van de tuinbouwschool) in de hoop bloeiende toverhazelaars te zien. Achteraf had ik daarvoor beter naar het andere arboretum (‘Belmonte’) kunnen gaan, want daar staat een hele verzameling. In ‘de Dreijen’ vond ik er één in bloei, maar dat was dan wel gelijk de allermooiste van allemaal. Het was de donkerrode Hamamelis x intermedia ‘Orange Beauty’. Wel een vreemde naam voor een rode toverhazelaar trouwens. Misschien stond het bordje wel fout. Ik kon natuurlijk niets plukken. Dus moest ik blijven staan tussen de struiken en de dunne sliertjes zo precies mogelijk tekenen. Dat was erg lastig. Het is al vreselijk ingewikkeld om ze aan tafel in mijn atelier te tekenen.

Bij de vijver en de rotspartij heb ik op een bankje gezeten en de coniferen aan de overkant getekend. Het was heerlijk zacht weer met een dun zonnetje en ik heb ervan genoten. Vooral ook omdat de gaaien en de eksters zo druk krijsend om me heen vlogen. Toen ik de schets af had, ben ik nog een rondje ‘vindsels’ gaan zoeken (dat kan eigenlijk niet) en heb ik een grote tas vol mee naar huis genomen. Daar liggen ze nu te stinken op tafel, dus ik hoop dat ze morgen droog genoeg zijn om ze in een doos te doen.