Dit is een studieschets. En een praktische les. Het wordt dus geen mooie bladzijde, maar dat is nooit mijn bedoeling. De bedoeling hiervan is de vormen van een aardhommel te ‘vangen’ in de vlucht.

Hoe doe je dat? Ga lekker zitten in het zonnetje bij een plant met bloemen waar hommels op vliegen (om de één of andere reden vaak blauwe bloemen…) en wacht. Niks doen, vooral niet iets anders gaan tekenen. Dan komt er een hommel aan. Laat hem rustig vliegen en kijk of het een blijvertje is. Kijk alleen maar, gewoon om te genieten.

Kies dan een bepaalde houding tijdens het vliegen die je opvalt en probeer die even heel intensief te bekijken. Het voelt voor mij alsof ik een foto maak. Bevries dat beeld. Dat is al moeilijk zat maar het went snel.

En dan: niet meer kijken naar de hommel en proberen te reproduceren wat je in gedachten ziet. Rete-moeilijk, dat klopt. Maak daarvan een krabbel, doe vooral niet meer dan dat, geen enkel lijntje toevoegen uit je fantasie. Het verschil tussen geheugen en fantasie is flinterdun, maar het is er en je voelt het. Volgende houding. En zo ga je een kwartiertje door. Het kost bergen concentratie, maar het is leuk en erg leerzaam. Je leert zo goed kijken en onthouden dat vogels misschien ook wel in aanmerking komen.

O ja, en dan: GEEN mooie kleurtjes toevoegen die je niet gezien hebt. Alleen een kadertje om de bladzijde en misschien een echte hommel van een plaatje. Accepteer je eerste, onhandige pogingen, want dat is wat je gezien en onthouden hebt. Wees eerlijk tegen jezelf.

KOUD! Wat wil je; vanmorgen was alles nog wit van de hagelsteentjes, het dak lag vol kleine bolletjes. Ik vind het geweldig, al die soorten weer. Hagelluchten zijn schitterend, hagelsteentjes maken me altijd vrolijk als ze over straat dansen, en de planten trekken er zich niet zo veel van aan. De planten die nu bloeien zijn erop gebouwd.

Deze trots van mijn tuin is Tranchystemon orientalis. Hij bloeit supervroeg met gekke blauwe hangbloemetjes die zeer in trek zijn bij de eerste hommels. En het blad is verrukkelijk lichtgroen en groot. Wie wil mag een stekje.

In de ijskou zat ik even op mijn stoeltje onder de Buddleia en ik schetste mijn Silphium perfoliatum, kompasplant. Ook zo’n fantastische plant. Hij komt op met rabarberachtige kroesbladeren, maar het wordt een 3 meter hoge plant met prachtige vierkante stengels. Ik houd van die joekels, die maken mijn tuin weelderig en tropisch. Ik moet bij die scheuten uit de grond altijd denken aan een puppy van een Berner Sennenhond, klein, schattig en knuffelbaar, maar met van die enorme poten waaraan je kunt zien hoe groot hij wordt. Mooi!

Ik hád natuurlijk de geweldige scilla’s kunnen tekenen in de voorjaarstuin. Nou ja, tuin, het is een smal strookje langs de heg waar de eerste voorjaarszon komt. Dat noem ik de ‘paarsblauwe tuin’ omdat ik er alles in die kleuren verzamel wat nu bloeit, en dat is veel: scilla’s, druifjes, Chionodoxa, Primula ‘Wanda’ (hartstikke paars), Anemone blanda, holwortel, paarse maagdenpalm, een feestje. Ik ben er vorig jaar mee begonnen en het wordt nu een eenheid.

Maar dan krijg ik een boekje vol mooie prentjes. De kerktuin is nu een zee van hardblauwe scilla’s, zo prachtig. Daar zie ik geen uitdaging meer in, want dat heb ik vorig jaar uitgebreid geoefend.

Ik realiseer me wat er gebeurt als ik naar mijn tuin kijk. Ik zie wat ik allemaal gedaan heb de afgelopen week. Hard gewerkt, veel zaailingen heen en weer gesleept naar betere plekken, planten gescheurd en gedeeld. De hele tuin op mijn knieën schoongemaakt met mijn harkende handen. Om al die onbekende zaailingen te sparen en meteen goed te kijken wat er allemaal opkomt. Heel gedetailleerd, heel intensief.  Ik begin een beetje te snappen hoe een echte cottagetuin werkt: laten uitzaaien, leuk, maar daarna moet je dagenlang aan de gang. Dat moet je wel leuk vinden. Dus wat ik zie als ik naar de paarse tuin kijk: de werkelijkheid, maar in gedachten dezelfde tuin over 3 maanden. En dat is een uitdaging om te tekenen.

VOORJAAR! Ik heb de hele dag in de tuin gewerkt en ik zie overal iets opkomen. Zoals gepland ga ik nu op detailniveau aan het werk. Met mijn handen als hark de mulch weghalen en kijken wat er allemaal opkomt. Intensief werkje, maar dat doe ik niet door de hele tuin hoor. Eigenlijk zijn er maar een paar dingen die altijd weg kunnen, dus wat (in mijn tuin althans) onkruid is: beekpunge, brandnetel, kweekgras en paardenbloem. Hoe mooi ze ook zijn in de natuur.

En bij de rest moet ik enorm uitkijken dat ik geen leuke dingen weghaal. Overal staan zaailingen van tweejarigen. En waar ik ze liever niet heb, spit ik ze voorzichtig uit en verhuis ze naar een betere plek. Meconopsis bijvooorbeeld is mooier met een hele club dan in zijn eentje, dus die verhuis ik consequent naar één plek in de tuin. Ze hebben wel heel lange wortels dus ik ben blij dat ik op tijd ben. Vergeet-mij-nietjes staan vaak veel te dicht op elkaar, dus die splits ik en verhuis ik ook. Zo ben ik de hele dag aan het slepen met kleine plantjes. Waar de grond vrij gekomen is, heb ik alvast sterke eenjarigen gezaaid. Veel te vroeg natuurlijk, maar ik probeer het gewoon.

En dan staan er overal nog heel veel zaailingen met maar twee kiemblaadjes. Geen idee wat het is, dus laten staan tot ik het wel weet. En dan blijken het misschien allemaal zaailingen van de linde. Ik strooi nooit meer lindeblad als mulch. O ja, en de binnen opgekomen zaailingen heb ik in een groot krat buiten gezet zodat ze konden kijken. Konden ze meteen een beetje wennen aan buiten.

Niet te geloven dat het vorige week zo stormde.

Nu zit ik op het terras in de tuin. Het is zo zacht dat ik niet snel hoef te zijn. Dus zit ik lekker rustig te kijken. Omdat het contrast met vorige week zo groot is, besluit ik ongeveer hetzelfde te schetsen. Maar dan iets hoger tegen de lucht, want de abeel van de achterburen bloeit met witte katjes en de lucht is egaal blauw. Zo mooi. Het is trouwens geen wilgensoort, wat ik eerst dacht, maar een grauwe abeel. In tegenstelling tot de witte abeel die hier zo prachtig langs de wegen staat. Die heeft veel witter blad en zo’n mooie stam met zwarte ‘ogen’.

Ik haal mijn kleurpotloden en probeer de bloeiende takken te pakken met alleen kleur. Dat is een hele uitdaging, omdat ze nogal klein zijn. Ik besluit alleen de lucht te doen en waar het contrast het grootst is, duw ik wat harder op mijn kleurpotlood. Het werkt.

Het is heerlijk buiten, met een dik vest weliswaar. Maar alle kauwen in de bomen kakelen, de koolmeesjes zitten elkaar achterna, de duiven vliegen piepend en knarsend voorbij en de kraai zit achter me op het dak te praten. En verder hoor je hier niks. Ja, de vuilnisman.