Ik liep een beetje te dromen tijdens mijn lopie door de tuin. Waar zal ik eens gaan zitten, dacht ik. Ik zag van alles: kleine knopjes aan de Akebia, uitlopers aan de Clematis, rode spruiten bij de Phloxen, en natuurlijk overal puntjes van bolgewassen, vooral van die heerlijke vogelmelk. Planten die je in de winter al helemaal vergeten bent, en opeens zijn ze er weer.

Maar ik dacht dat het een stralende lentedag zou worden en een lekker schetsje in de zon. Niet. Ik draaide me om omdat ik de poes van de buren hoorde mauwen. ‘Hé, hoi’! Het is een prachtige grijs-witte Main-Coon, die altijd aandacht wil. Ik praatte tegen hem en hij nestelde zich daarna met een koninklijk air op één van de tuinstoelen.

En toen zag ik het mooie uitzicht pas van de grijze kerktoren in de mistige lucht. Een donkergrijze driehoek in een grijze omgeving. Vijftig tinten grijs. Met daarnaast de dikke kronkeltakken van de oude kastanje in de kerktuin. En de huizen van ons en de buren, die op de helling van de wierde staan, dus schuin achter elkaar. Erg leuk om te schetsen en erg dierbaar inmiddels. Wat ben ik toch een mazzelaar met zo’n omgeving!

ZON. En de zachtste dag ooit in februari.

Ik heb intussen 9 vuilniszakken tuinafval en een volle compostbak. Ik heb systematisch de hele tuin doorgewerkt, van voor naar achteren, van links naar rechts, en ik heb alles gedaan. De enorme slingers witte passiebloem waren nog het meest ingrijpend. Wat een groeikracht heeft die plant. Maar ik heb hem nu teruggebracht tot 8 gesteltakken. Dat zijn de diktste takken die ik vorig jaar horizontaal had aangebonden en die mijn uitgangspunt blijven. Van daaruit mag ie weer gaan groeien, en dat doet ie na twee dagen al: elke stengelknop krijgt een uitloper. Ook de prachtige Clematis ‘Mikelite’ aan de schutting heb ik keurig aangebonden terwijl er kleine groene knop-spikkeltjes in de oksels van de takken zaten en dat zijn nu al kleine takjes geworden. Ik was dus net op tijd. De schutting is nu erg kaal, maar dat komt goed. Bovendien is er een wintergroene klimplanten-bedekking in aantocht (internet) die deze periode volgend jaar moet opvangen.

De hele tuin is verzorgd, opgebonden, gesnoeid, stengels opgeruimd, behalve de bodem, daar kom ik niet aan. De tuin is zeg maar winterklaar, maar dan voor de zomer.

De sneeuw is weg. De vorst ook. Hier en daar ligt nog een klein hoopje sneeuw bij iemand op een oprit of een blok ijs uit de vijver, maar de rest is helemaal weg.

En wat er dan te voorschijn komt is niet voor de poes. Alles zit onder de vogelstront, lege eierschalen naast de composthoop, vieze drap bij de voederplaats, overal resten zaad en pinda’s. Dus dat wordt schoonmaken de komende dagen. En de tuin zelf is natuurlijk ook een zootje, want ik maak hem niet winterklaar, om de vogels te plezieren. Resultaat is dat alles slap hangt en vies wordt, maar dat heb ik er voor over. Dus eerst maar eens knippen en dan de planten één voor één nalopen: de vorstbescherming (plastic zakken) kan weg, de potten met bollen schoonmaken en mooi neerzetten, de Buddleia’s knippen, enzovoort, enzovoort. Kortom, ik kan niet wachten.

Op deze schets is maar een klein gedeelte van de tuin te zien, namelijk mijn ‘vogelplein’, en zelfs op dat kleine stukje is een berg werk te doen. Wat ik allemaal zie voor werk heb ik erbij gezet.

Er ligt sneeuw! Niet zo veel als in het midden van het land, maar toch, het telt.

Ik voer elke dag op dezelfde tijd, op vier verschillende plekken. Dat doe ik om de vogels te laten wennen aan mijn aanwezigheid en omdat ik weet dat ze allemaal een specifieke manier van eten hebben. Merels en roodborstjes eten het liefst op de grond. Meesjes het liefst hangend. Maar wat ook bij iedere vogelsoort anders is, is de manier van aanvliegen. De merels maken de meeste spoorafdrukken omdat ze zich vooral lopend verplaatsen. Andere vogels vliegen naar een takje om van daaruit af te dalen (roodborstje), en weer andere landen ter plekke bij het voer, het liefst op een tafel (tortelduif). De echt grote jongens (eksters, kauwen en kraaien) lopen zo min mogelijk. Ze komen via bomen en dakranden dichterbij en nemen dan een duikvlucht tot naast het voer.

Omdat merels vooral lopen, staat de tuin vol pootafdrukken. En wat leuk is: overal zijn paadjes in de tuin, onder de heg door, achter planten langs, om de Euphorbia heen en onder de roos door. Paadjes die ze kennelijk steeds weer gebruiken, want ze zijn helemaal platgestampt. Er zitten op dit moment negen merels tegelijk die nu al bezig zijn met hun territorium. Ze vechten elkaar de hele dag de tent uit. Ben benieuwd wie het wint.

Het is koud, nat en akelig. En toch is het woensdag.

Dus maar door de knieën voor die kleine puntjes narcissen en hyacinten die boven komen. Ik heb altijd moeite met zo’n bladzijde klein spul want het wordt altijd rommeliger dan me lief is. Je zou ook een verzamelpagina kunnen maken met kaders, maar dat is meer iets voor binnen.

Ik teken de mooie Helleborus, een heel donkerrode die purpurascens heet. Hij zit nog in knop maar krijgt oprachtig ‘zwarte’ bloemen. En het blad is prachtig gemarmerd. Eigenlijk moet ik hem meer vooraan in de tuin zetten, dan zie je hem beter.

Anyway, er is hoop. Natuurlijk is er hoop: al die puntjes gaan bloeien, corona of geen corona.