Dit is wat ik ooit de rode tuin heb genoemd. Inmiddels is ie allang niet rood meer, en streef ik meer naar oranje. Het is puur een term voor mezelf in de catalogus, dus het zal wel zo blijven heten.

Het is dezelfde blik op de schuur als op 20 juni een tijdje terug. Wat een verschil! De roos, de anjer, de klaprozen, ik was ze allemaal al weer helemaal vergeten. Wat heerlijk dat het allemaal gewoon verandert en door bloeit. Op dit moment is de monnikspeper de held van de tuin, zo vol in bloei en zo wonderlijk paarsblauw, een beauty. En aan zijn voeten een fuchsia, die bevroren was, maar gelukkig weer helemaal terugkomt. Tegen de roodstenen muur een geel-oranje vuurdoorn, ook al zo’n schat. En daaronder mijn heerlijke gele Thunbergia, lekker wild en weelderig.

Dit is weer een prent in kleurpotlood. Getekend in zwarte balpen en voorzien van kleurnotities aan de hand van nieuwe kleurkaartjes. Mijn kleurpotloden zitten tegenwoordig in bakjes, want die potloodrollen waar je ze in moet stoppen, werken me veel te langzaam.
Ik vind het trouwens een fijne manier van werken met kleurpotloden, je kunt er veel meer emotie in kwijt dan met aquarel. Een tijdje geleden heb ik een poging gedaan met aquarel, maar het wordt me veel te wazig. Ook met meerdere lagen.

Al met al merk ik dat huis en tuin meer een eenheid worden, omdat ik ze allebei even sterk inkleur. Dat is een goed teken, want ze horen echt bij elkaar. Zou het dan toch een cottagetuin worden?

Mij te heet. Als ik mooi bloeiende planten wil tekenen, moet ik in de zon zitten. Dus nestel ik me in de schaduw van mijn ‘bos’. Die naam is schromelijk overdreven, want het is in feite alleen een grote liguster en een taxus. Maar bos klinkt leuker, en je moet jezelf ook een beetje voor de gek houden af en toe.

Wat ik daar vandaan zie is het verval van de zomer. Het is niet anders, er komt een tijd dat ‘deadheading’ van de Buddleia geen zin meer heeft, omdat er geen enkele paarse pluim meer te ontdekken valt. Maar tot vorige week dwarrelden de vlinders in het rond dus we hebben er lang van kunnen genieten. Vooral Pluma, ons nieuwe poesje, vond het onverdraaglijk om te zien.

Dit dak is van de garage van de buren. Op zich ook mooi met dat pannen dak en witte wasrek tegen de muur. En allemaal groene struiken, dus weelderig is het zeker, en manshoog intussen. Die Taxus heb ik vier jaar geleden onder mijn arm meegenomen uit Amersfoort. Hij is nu ruim twee meter.

Het is zwaar bewolkt. De beloofde zonnige dagen blijven nog even uit, maar ik ben er van overtuigd dat ze komen: de mooie stille septemberdagen met blauw luchten en een windstille, kleurige tuin.  Ik denk niet ‘de zomer is voorbij’, maar ‘nu komt het spektakel’. En dat is ook zo, als je er maar het nodige voor doet tenminste: blijven zaaien, dode bloemen knippen, dode stengels afknippen, enzovoort. Er is altijd heel veel werk te doen, maar ik vind het heerlijk.

De grote Vitex-struik bloeit nu uitbundig in een soort paarsig blauw. De Clerodendron krijgt donkerder schutbladeren en daartussen staat mijn Thunbergia ‘Yellow Sunrise’ te bloeien met grote gele bloemen. De hoge Verbena’s bloeien volop en trekken veel vlinders. De gele frambozen zijn rijp en heerlijk.

En dan bloeien de Helianthus en de Asters nog niet eens. En de Ceratostigma. En de Mina. En de Ampelopsis. Wat is een tuin toch iets geweldigs.

Een lege pagina: is ook weleens prettig.

De eer is aan de bloemen van de Gladiolus callianthus ‘Murielae’, Abessijnse gladiool. (Vroeger Acidanthera). Ooit heb ik twee mini-bolletjes gekocht bij een bouwmarkt voor een paar euro. Die bloeiden datzelfde jaar prachtig, en ik besloot ze op te graven in het najaar om ze niet te verliezen. En toen ik de verdorde stengels omhoog haalde, was het een hele kluwen bolletjes geworden, wel tien. Dus het jaar erna heb ik ze weer opgegraven en nu staat mijn hele tuin vol. Wat geweldig.

Het zijn schitterende bloemen, die niet zo heel lang bloeien, maar wel met steeds nieuwe knoppen. Iedereen zegt dat je ze in grote groepen moet planten, maar ik vind juist één zo’n bijzonder exemplaar tussen de vaste planten zo verrassend. Alleen kun je nooit helemaal van tevoren uitmikken dat ze precies goed staan, zodat ze steun hebben aan hun vaste planten buren. Dan maar een dun stokje erbij.

Het is vrij warm en windstil. Vlinderweer. En de Buddleia zit inderdaad stampvol vlinders, ik tel er meer dan 50! En er zijn opvallend veel kleine vosjes.

Vanuit het huis zie ik vijf kleine vossen op de ene en zes op de andere terrastafel. Ze zitten allemaal met hun vleugels plat op tafel, en het ziet eruit alsof het kikkers zijn. Ik denk alleen dat ze allemaal wegvliegen als ik naar buiten ga. Dus een simpel schetsje vanuit het raam en daarna met mijn kleurpotloden naar buiten. Ik heb ontdekt dat het schetsen van levende vlinders het beste gaat per soort, met de kleuren die ik nodig heb in mijn vuist. Voor de kleine vos is dat Van Dyck bruin, hemelsblauw, zwart, donkergeel en gebrande oker. Ik begin met de lichtste kleuren. Alleen kleine kleurvakjes, dus zonder de vlinder te tekenen. Het blijft een sport en het is behoorlijk moeilijk, maar daarom een flinke uitdaging. Intussen probeert mijn jonge kat Pluma de vlinders ook te vangen, maar dan letterlijk helaas. Voorlopig springt hij gelukkig steeds mis.

De lila bloempluimen van de Buddleia hangen pal voor mijn neus. Soms zit een vlinder zo lang stil op het paars dat ik details kan tekenen. Er is één kleine vos die helemaal gaaf is en heldere kleuren heeft. Er zijn ook exemplaren met stukjes uit hun vleugels en doffe kleuren. Jammer dat zulke prachtige dieren ook dood gaan.