Dat is eigenaardig. Ik heb een schets gemaakt van de regenboog en de kleuren moest ik onthouden. Niet alleen omdat ik die niet bij de hand had, ook omdat die zware hagelbui vrijwel meteen naar beneden kwam. Dit was dus wel een heel snelle schets.

Maar wat zo vreemd is, zijn de kleuren. Ik wist dat ‘rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet’ bijna nooit klopt, maar iets zoals dit heb ik nog nooit gezien. En toch is dat wat ik heb onthouden op weg naar mijn aquareltafel: lichtgroen, citroengeel en roze-paars. Ik kan me niet voorstellen dat dit goed is. Nou ja, niemand kan het controleren.

Dat ons huis hoger op de wierde staat dan dat van de achterburen, is hier heel goed te zien. Het fijne is dat je daardoor altijd veel van de lucht ziet. En de mooie takken van de es, die al een beetje groenig kleuren, zeker met dat felle straaltje zonlicht. ‘Een gemene, vieze lucht’, zei mijn oma altijd, met een zurig vertrokken gezicht.

Eerst sneeuwde het. Toen was ik besluiteloos over het begin. Toen dacht ik dat ik eerst de tuin moest ‘voorstellen’. Toen regende het. Dat heet allemaal gewoon uitstellen.

Dus toen ben ik gewoon begonnen. Wat me het eerste opviel waren de zwartbruine bladeren die ik zorgvuldig over mijn jonge plantjes gestrooid had bij wijze van mulch. Ik ben er nog speciaal voor naar een linde gegaan, omdat lindeblad sneller verteert in het voorjaar. Met emmers vol ben ik heen en weer gelopen naar mijn tuin om tenslotte alles wat kwetsbaar is, te beschermen. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef Lucebert. Nou, die bladeren dus; die lagen allemaal naast de tuin op de stoeptegels, omdat de merels zo nodig moeten woelen naar beestjes. En ik heb vijf merels in de tuin, en die maken met z’n allen een behoorlijke puinhoop. Ze staan te schudden als kippen en met hun snavel te wroeten.

Nou ja, ze moeten ook eten en kunnen niet naar de Spar. Ik zal ze wat extra insectenvoer geven.