Eerst sneeuwde het. Toen was ik besluiteloos over het begin. Toen dacht ik dat ik eerst de tuin moest ‘voorstellen’. Toen regende het. Dat heet allemaal gewoon uitstellen.

Dus toen ben ik gewoon begonnen. Wat me het eerste opviel waren de zwartbruine bladeren die ik zorgvuldig over mijn jonge plantjes gestrooid had bij wijze van mulch. Ik ben er nog speciaal voor naar een linde gegaan, omdat lindeblad sneller verteert in het voorjaar. Met emmers vol ben ik heen en weer gelopen naar mijn tuin om tenslotte alles wat kwetsbaar is, te beschermen. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef Lucebert. Nou, die bladeren dus; die lagen allemaal naast de tuin op de stoeptegels, omdat de merels zo nodig moeten woelen naar beestjes. En ik heb vijf merels in de tuin, en die maken met z’n allen een behoorlijke puinhoop. Ze staan te schudden als kippen en met hun snavel te wroeten.

Nou ja, ze moeten ook eten en kunnen niet naar de Spar. Ik zal ze wat extra insectenvoer geven.