Herfst.

De grauwe abeel achter mijn tuin begint okergele bladeren te krijgen. Dat is heel fraai tegen de lichtblauwe najaarslucht. Verder zijn het nu vooral kleurspikkels in de rommeliger wordende tuin. De trouwe hoge zonnebloemen zijn heldergeel, de Clerodendron heeft nog steeds zijn waanzinnig mooie bessen en krijgt nu bronskleurig blad. Omdat het blad ook allemaal aan het kleuren slaat, wordt het geheel een lekker zootje.

Hier en daar de felle kleuren van Cotoneasterbessen, rozenbottels en bloeiende eenjarigen. En verder vooral heel veel kleurende grassen die ik vorig jaar speciaal heb geplant op strategische plekken. Ik houd wel van grassen, maar dan heel spaarzaam op plekken waar een bronsgele of warmgele kleur nodig is in de herfst. (En dan vooral naast een blauwe Aconitum, zoals bij mijn keuken!) Ik heb het niet zo op de steppetuinen met veel grassen, want die worden mij in de loop der tijd te rommelig. Er komt een moment dat de bloemen uitgebloeid zijn en wat dan? Dan heb je alleen die grassen, zonder het ‘doorkijkje’-effect. Dan is het alleen maar effect.

Ik geniet van mijn tuin. En er is altijd wat te doen en mooier te maken. Zo komen straks de bollen. Die ga ik pas planten als ik goed kan zien waar de bodem leeg is.