Dit is het kleine hoekje bij de wintertuin, het stukje dat je ziet vanuit de tuinkamer. Een heerlijk plekje in de winter als de verwarming daar aan is. Ik heb gezorgd dat daar voor het raam veel interessante dingen staan zoals kleurende pijpestrootje, mijn winterharde Fuchsia, kornoelje ‘Midwinter Fire’ (de naam zegt genoeg) en wintergroene planten.

Maar nu zit ik nog buiten. Tegen de muur van de tuinkamer is het meest geslaagde plekje van mijn tuin. Een klein witbont klimopje met daaroverheen een Cotoneaster horizontalis. Het is heel simpel, maar zo prachtig om te zien, en zeker op die mooie Groningse baksteen. De knalrode besjes van de Cotoneaster gloeien op in de zon en zijn net iets feller van tint dan de baksteen. En het donkere piepkleine blad vormt een rustige ondergrond. Het is een heerlijke, betrouwbare en makkelijke plant. Christopher Lloyd van Great Dixter was er ook gek op en in zijn tuin zag ik ooit de mooiste snoeivorm van Cotoneaster, met de vorm van een trapje mee naar beneden. Die ben ik aan het imiteren bij mijn eigen kleine trapje, maar dat duurt even.

En ik hoef alleen maar op tijd te knippen, zodat het geheel een mooi recht blok gaat worden. Er staan een paar bolgewasjes aan de voet van de muur, die zo nu en dan een spannende toevoeging zijn. En natuurlijk mijn Cobaea nu. Mijn weelderige klimplanten kleven aan alles vast wat maar mogelijk is, en van mij mogen ze. Ze bloeien en bloeien, en doen geen vlieg kwaad. Wat wil je nog meer?