Mijn eerste echte schetsdagboek in Groningen. Dan maar meteen ook naar het uiterste noorden, het laatste puntje van het vasteland: de Noordkaap. Echt waar: er staan richtingaanwijzers met de tekst ‘Noordkaap’ en een afbeelding van een camera. Maar eerst kom je door Uithuizen, en dan door Uithuizermeeden, waar je al nooit van z’n leven dacht te komen, dan door Hefswal en vervolgens staan die bordjes er weer. Het lijkt dus te kloppen. Steeds denk je de laatste boerderij te passeren, maar dat blijkt niet de laatste. Vervolgens ga je recht op de windmolens van de Eemshaven af. Kan niet echt mooi zijn, denk je dan. En dan draai je weer naar het westen, waar het groen is met boerderijen. Soms ga je een hellinkje op door een coupure in de dijk. Maar boven gekomen zie je een volgende polder. Ik moet er nog steeds aan wennen. Dat komt door de Noordhollandse duinen die ik gewend ben: duin op en je ziet de zee, bruisend en woest. Nou, hier is geen zee, alleen gras. Dat overkomt je hier drie keer. Tot je eindelijk een doodlopende weg inslaat met nog meer polder en aan het eind de echte zeedijk. En OVER die dijk:…..DIT. .Al goed, mij hoor je niet meer.

Het is wel even organiseren om op een wad met harde wind te schetsen. Het gele stoeltje, dat ik altijd bij me heb, hangt in mijn rechterhand horizontaal in de wind. Een potlood kun je niet even op de grond leggen zoals ik gewoonlijk doe. In een mum van tijd ligt het bij de horizon. Maar ik was op alles voorbereid, handschoenen met vingers, windklemmen, dikke kleren, dichte tassen, kleurenkaartjes.

Het was heerlijk. Terug in de auto zag ik in de spiegel een woest, verwaaid rood hoofd. En dat hoofd voelde zich strontgelukkig. Terug naar mijn heerlijke huis in een warme auto met klassieke muziek.