
Mijn tuinakelei. Een wilde akelei is het bijna nooit, want die vind je in de bergen van bijvoorbeeld Zwitserland en is bijna altijd blauwzwart. De akeleien in mijn tuin zijn uitgezaaide hybriden, die elke kleur kunnen hebben. Ik heb witte, heel donkerpaarse, roze en deze tweekleurigen. Want als je goed kijkt zie je dat de buitenste bladeren oudroze zijn en de binnenste purperpaars. Wat je pas ontdekt als je met kleurpotloden gaat werken. Wat ik ook heel mooi vind zijn de groene puntjes aan de bloembladeren, heel mooi licht olijfgroen. En ik houd erg van de vorm van de knoppen, die op van alles lijken, maar vooral op Griekse vazen.
Ik heb mijn vriendin besmet met het ‘laat-maar-waaien’ tuinvirus. Ze heeft een groot grindpad en dat staat stampvol met akeleien en papavers. En ze laat ze allemaal staan. Die twee plantensoorten bloeien elk jaar precies samen en het resultaat is elk jaar weer anders. Feestelijk is het en een tuin knapt heel erg op van dit wilde gebloei. En kan het kwaad? Nee. Ze zaaien zich uit en daarna is alles schijnbaar verdwenen. Last heb je er niet van. Tot de verrassing het volgende jaar als je ze bijna vergeten bent.
De schijnpapavers horen hier eigenlijk ook bij. Ze heten Meconopsis cambrica, en ze zijn er in geel en oranje. Ik vind de gele het mooist, maar oranje kleurt ook geweldig naast de paarse akeleien. Ik stel me een smal pad voor met paarse akelei en oranje papavers door elkaar en verder niets. Prachtig. Maar onuitvoerbaar want de planten bepalen altijd zelf waar ze willen staan. Dit jaar staan er in mijn boshyacintenveldje toevallig alleen gele papavers, wat erg mooi combineert. Ze bloeien vlak na elkaar, en soms is er een kleine overlap. Verder staan er inmiddels 8 exemplaren van mijn vosseboon (Thermopsis lanceolata) met lichtgele lupinebloemen en die staan er ook geweldig bij. Ik ga de vosseboon vermeerderen zodat ik er volgend jaar nog meer heb.